2. Inhoudelijk profiel van het vak

Het wiskundeonderwijs in de bovenbouw bouwt voort op de kennis en vaardigheden uit de onderbouw. Afhankelijk van de profielkeuze en het soort wiskunde gaat het in de bovenbouw in toenemende mate om begrip, inzicht en het kunnen toepassen van de leerstof.

Wiskunde A

  • HAVO
    Vaardigheden, algebra en tellen, verbanden, verandering en statistiek.
  • VWO
    Vaardigheden, algebra en tellen, verbanden, verandering, statistiek en kansrekenen en keuzonderwerpen.

Wiskunde B

  • HAVO
    Vaardigheden, functies, grafieken en vergelijkingen, meetkundige berekeningen en toegepaste analyse.
  • VWO
    Vaardigheden, functies, grafieken en vergelijkingen, differentiaal- en integraalrekening, goniometrische functies, meetkunde met coördinaten en keuzeonderwerpen.

Wiskunde C (alleen VWO)

  • Vaardigheden, algebra en tellen, verbanden, veranderingen, statistiek en kansrekenen, logisch redeneren, vorm en ruimte en keuzonderwerpen

Wiskunde D

  • HAVO
    Vaardigheden, statistiek en kansrekenen, ruimtemeetkunde, wiskunde in technologie en keuzeonderwerpen.
  • VWO
    Vaardigheden, kansrekenen en statistiek, dynamische systemen, meetkunde, complexe getallen, wiskunde in wetenschap en keuzeonderwerpen.

Vanaf de basisschool en de onderbouw zorgen doorlopende leerlijnen voor een goede voorbereiding. Het gaat daarbij om kennis en vaardigheden, maar ook om algemene kennis zoals rekenen en gecijferdheid, kennis van de wereld, abstraheren, ICT, 'leren leren', reflecteren, denkactiviteiten, praktische toepassingen en nog veel meer.

Het wiskundig bouwwerk wordt langzaam maar zeker opgebouwd, van concreet naar abstract. Goed wiskundeonderwijs is onderwijs dat aansluit bij bestaande kennis. De kennis moet blijvend zijn. Geen truukjes of onbegrepen regeltjes leren, maar begrijpen waar je mee bezig bent. Zorgvuldig leren werken en logisch denken. Wat mag je nu wel en niet concluderen? Is dit waar? Is dit altijd waar? Wat kan ik hier mee?

In de bovenbouw is het doel om meer inhoud te geven aan de ontwikkeling van 'zelf doen/zelfstandig werken' naar 'zelfstandig leren'. Daarvoor zijn een goede opbouw, zelf doen en plezier in wiskunde de drie pijlers waarop het wiskundeonderwijs gebaseerd moet zijn.

©2004-2020 W.v.Ravenstein