4. Toetsing

Het is belangrijk om bij verschillende soort vaardigheden een passende toetsvorm te kiezen en te ontwerpen. Bij wiskunde zijn de toetsen in de bovenbouw in het algemeen schriftelijk. Uiteraard zijn we bekend met andere vormen van toetsing zoals mondeling, praktische opdracht, computertoets, practicum, geïntegreerde wiskundige activiteiten, e.d. Als voorbereiding op SE's en het eindexamen liggen schrijftelijk toetsen in de stijl van het examen voor de hand.

Toetsen worden in overleg en zoveel mogelijk gezamelijk afgesproken en afgenomen. Daarmee is het mogelijk om de resultaten van parallelgroepen beter te vergelijken.

Voor de toetsvragen maken we gebruik van de toetsvragen die bij de methode Getal & Ruimte worden aangeleverd. Er is, om verschillende redenenen, een grote behoefte om onze eigen toetsen te maken. In de praktijk is dat echter zeer arbeidsintensief. Onderlinge afstemming en coördinatie is dan wel gevraagd. Toetsen vervullen naast het vaststellen van de behaalde leeropbrengsten ook een belangrijke rol in de reflectie op het leerproces. Dat geldt (uiteraard) voor de docenten maar vooral ook voor de leerlingen. Toetsen vervullen een sleutelrol in het leerproces.

Na toetsen kunnen leerlingen soms toetsen herkansen. In principe gaan we uit van maximaal 25% herkansen. Het vak wiskunde heeft een hiërarchische opbouw met een aantal kernconcepten die voor honderd procent beheerst moeten worden voor je ermee verder kunt. De kennis die bij deze kernconcepten hoort, moet een leerling voortdurend paraat hebben. Is dat niet het geval, dan stort het bouwwerk in. Herkansing spelen een belangrijke rol in het verwerven van de benodigde kennis en vaardigheden.

In de bovenbouw geven we proeven. Toetsen sluiten aan bij wat in de lessen aan de orde gekomen is. Meestal is dat dan een proef per hoofdstuk, maar soms is het handig om de leerstof in deeltoetsen te bevragen. Proeven bereiden voor op de SE's. Voor alle informatie over het PTA verwijs ik naar de PTA's voor VWO en HAVO.

Voor de kwaliteit van toetsen helpt het te kijken aan de juist balans van:

  • weten dat - parate kennis
  • weten hoe - probleemaanpak en onderzoekvaardigheden
  • weten waarom - verbanden leggen
  • weten over weten - generalisatie en reflectie

In de bovenbouw maken we steeds meer gebruik van 'kunnen-en-kennen-lijstjes'. Hierin kunnen docent en leerling precies welke kennis en vaardigheden geleerd moeten worden. De proeven sluiten hier op aan.

Bij toetsen wordt vooral een normering vastgesteld. In principe wordt daar op basis van de resultaten alleen van afgeweken als de toets om wat voor reden dan ook aanwijsbaar moeilijker is uitgepakt.

Het nagekeken werk wordt door de docent voorzien van een duidelijk beoordeling en feedback over gemaakte fouten. Leerllingen kunnen altijd hun werk inzien en aan de hand van de beoordeling reflecteren op hun leerproces. De docent analyseert altijd de proeven en de resultaten van de individuele leerlingen en de leerlingen als groep. Op grond van die bevindingen zullen de docenten het onderwijs aanpassen en waar mogelijk verbeteren. Leerlingen die willen herkansen kunnen een toetsanalyseformulier invullen. Dat levert voor de docent allerlei waardevolle informatie op.

©2004-2020 W.v.Ravenstein