|
Somregel Als gebeurtenis $G$ en $H$ geen enkele uitkomst gemeenschappelijk hebben dan geldt: $P(G\,\,of\,\,H) = P(G) + P(H)$ Voorbeeld Bij een loterij zijn 40 loten verkocht. Er zijn 3 eerste prijzen en 7 tweede prijzen. Je koopt 3 loten.
Antwoord P(1e of 2e prijs)=P(1e prijs)+P(2e prijs)=
$
|
Complementregel Als er in de omschrijving van een gebeurtenis 'minstens', 'hoogstens', 'meer dan', 'minder dan' of 'niet' voorkomt dan kan de complementregel je rekenwerk besparen. $P(G)=1-P(niet\,\,G)$ Voorbeeld Je gooit met 10 munten. Wat is de kans op minstens 2 kop? Antwoord P(minstens 2 kop)=1-P(0 kop)-P(1 kop)
P(minstens 2 kop)=$ |
|
De somregel voor kansen Voor de gebeurtenissen $A$ en $B$ geldt:
$ Voor disjuncte verzamelingen $A$ en $B$ geldt $A\cap B=\emptyset$, dus voor elkaar uitsluitende gebeurtenissen $A$ en $B$ is $P(A\cap B)=0$ |
De complementregel
$ Het woord 'complement' komt van complementeren: het toevoegen van het gedeelte dat ontbreekt om iets volledig te maken. |