1. Instrumentele vaardigheden


De docent beschikt over voldoende instrumentele vaardigheden (lees: knoppenvaardigheid) om ICT in het onderwijs te kunnen inzetten (in lessituaties én in de onderwijsorganisatie).

De docent toont aan dat hij/zij:

  1. over algemene kennis van ICT beschikt en de vaardigheden ten aanzien van bestandsbeheer beheerst;
  2. diverse hardware (beamer, digitaal schoolbord, digitale foto/videocamera) kan bedienen en aansluiten op de computer;
  3. kan omgaan met een tekstverwerker;
  4. kan werken met een spreadsheetprogramma;
  5. kan werken met presentatiesoftware;
  6. zijn weg kan vinden op het web (internet) en kan omgaan met digitale communicatiemiddelen (bijvoorbeeld mail en web 2.0 toepassingen als Wiki, weblog, Googledocs);
  7. foto’s, video’s en audio digitaal kan maken en bewerken;
  8. kan werken met de elektronische leeromgeving, (leerling gerelateerde) administratieve systemen, (educatieve) software, portfoliosoftware, toetsservicesystemen;
  9. kan werken met een arrangeertool voor digitaal leermateriaal.