3. rekenen met procenten

Procentberekeningen

Bij het vergelijken van gegevens krijg je vaak te maken met vragen als:

  • In welke periode is de toename het grootst?
  • Wat is het sterkst toegenomen?

Je maak daarbij onderscheid tussen abolute en relatieve veranderingen. Bij absolute veranderingen gaat het om de aantallen en bij relatieve veranderingen om procenten.

Afspraken

  • Geef NIEUW en OUD in dezelfde nauwkeurigheid.
  • Geef kleinere geldbedragen in centen nauwkeurig.
  • Geef procenten in éé decimaal nauwkeurig. Tenzij er iets anders gevraag wordt...

Let wel, dit zijn slechts vuistregels die je niet klakkeloos moet toepassen. Ga altijd na of de nauwkeurigheid van je antwoord past het gegeven probleem.

De constante factor

Als je elke keer met dezelfde factor moet vermenigvuldigen dan is het handig om de constante factor van je GR te gebruiken.

Voorbeeld

Niels zet op 1 januari 2015 een bedrag van €530,- op een spaarrekening tegen een vast rente van 1,4% per jaar.

Met de GR

Tik in: 530 EXE
Tik in: ×1.014 EXE

Als het goed is stond er iets als Ans×1.014 op je scherm en geeft de GR het spaartegoed na 1 jaar. Dat is dan €537,42.

Door nu steeds op EXE te drukken krijg je steeds het spaartegoed een jaar later...

530,-
537,42
544,94
552,57
560,31

Enz...

Als je het spaartegoed na 10 of 25 jaar wilt weten dan is het handiger om de formule te gebruiken:

$530·1,014^{10}=609,05$
$530·1,014^{25}=750,28$

©2004-2020 W.v.Ravenstein